Blog

Den haag prive ontvangst natte preute

May 02, 2018 / By : / Category : Hd porn pics free celebrity porn

den haag prive ontvangst natte preute

Home   Plaats advertentie   Inloggen: Copyright © - Inter-IT B. Amateur meiden willen seks           Geile vrouwen willen neuken! Menu   Home   Plaats advertentie   Inloggen: Marie-Claire Vurige dame geeft eromassage en penisballen Massage Marie-Claire Vurige dame geeft eromassage en penisballen Massage Knappe dame, goed figuurtje geeft eromassage en penisballen massage plus orgasme. Het is puur relaxen en pas op het is geil en je raakt zeer opgewonden van mijn strelingen en masseren van je spieren hoort er ook bij Zo ook je ballen en penis spieren Ik speel net zeszo lang tot je stevig klaarkomt en het zal je verbazen hoe heftig dit is Mail voor info plus pikante fotos.

Deze sexy Bianca is altijd geil! Hallo heren ik ben Bianca een nederlandse meisje die van haar hobby haar baan heeft gemaakt. Ik kan je heel goed verleiden met mijn zachte lippen en goedevormingen. Wil je lekker zonder condoom gepijpt worden of heb je andere fantasieën niks is te gek voor me. Je kan me bellen en whatsappen voor een date xx Half uur 80 Heel uur Heerlijke geile erotische massage Heerlijke geile erotische massage Spannende Erotische massage door exclusief dame Liefhebbers van ontspanning.

Ik ben een vrolijke dame en geef vurige Erotische massages zo wel met HP open sfeer. Gezellig open haartje, mits de buitentemperatuur daarom vraagt. Super leuk appartement dus persoonlijker als in een club of bij de Thai.

Heerlijke loungemuziek waardoor je je volledig Zen gaat voelen. Deze sexy tiener heeft zin in seks! Hallo heren ik ben Naomi een nederlandse meisje die van haar hobby haar baan heeft gemaakt.

Whatsapp me voor een date xx Half uur 60 Heel uur Ik ben dus opzoek naar een suikeroom die mij maandelijks financieel kan helpen, terug betaling bespreekbaar. Ik wil mijn kinderen alles kunnen geven. Tevens heb ik een huurschuld. Maar ik kom niet rond elke maand. Dus voel jij de aangewezen persoon om mij financieel bij te staan mail mij dan snel!!!! Jong onderdanig sletje gezocht. Ben jij een jong onderdanig sletje die lekker gebruikt wilt worden, hou jij van bdsm en ben jij zaadgeil dan zoek ik jou.

Zelf ben ik een dominante man van 35 met blond haar, blauwe ogen een normaal postuur en goed geschapen. Ik kan ontvangen en verplaatsen xxx. Monica SEXY ,jong en geil Hallo lieve schatten ik ben monica 25jaar ik ben hindoestaanse slank licht getint lang haar en een volle c cub. Heb je zin een heerlijk uurtje of half uurtje kan ook een vluggertje met met mij dan kan dat 15 minuten 50 euro 30 minuten 70 en een uur euro Ook voor erotische massage en intiem Bel gerust voor een afspraak Bellen met nummer weergave en privé word niet beantwoord Kan ook via whats app afspraken maken Alleen nette Ook zzp er hoeft niet.

Ze heeft geen koninklijk bloed, maar ze hoeft niets te doen voor de kost. Matty heeft ook anekdotes. Ze vertelde me één en dat vond ze genoeg. Ik mag dat zkv wel verder vertellen, maar dat doe ik niet. Dat heb ik met mezelf afgesproken. Bij Matty voel ik me veilig en vertrouwd. Klinkt goedkoop, maar zo is het. We hebben ieder onze rol in ons geheel.

Toen Matty nog niet in de overgang was, toen ze nog maandelijks ongesteld was, kon ik een maand tevoren in de agenda kalender zegt Matty aangeven wanneer het spel gespeeld zou worden. Rode zijden cape goudomzoomd. Gouden knopen en een gouden gesp vlak boven haar borsten.

Ik weet wat ze onder de cape draagt. Glimmend zachtroze slipje zonder kruis. Leren banden met veel metaal boven haar knieën, om haar enkels, polsen, bovenarmen; met knoppen als van koperen spijkers om bekleding op stoelen vast te zetten.

Om elke borst, niet meer zo strak en tuiterig als voorheen, draagt ze een driehoekige zwartleren bh. Nou ja, de driehoek fungeert niet als houder van de buste, maar meer als omkadering. Zwarte laarzen met kettingen en met halfhoge hakken. Ze is een mangaheerseres. Ze ziet er prachtig uit als koningin.

Ze wil mij als slaaf. Ik doe dat graag voor haar, en voor mij. Ik krijg graag straf. Straf lucht me op. Straf laat me leven. Sla maar, roep ik. Vijfentwintig jaar had hij elke nacht naast me gelegen, geen nacht overgeslagen. Trouw als een hond. Maar ik heb het niet op honden. Vijfentwintig jaar trouw, en levend, en begrijpend, en verzorgend, en onderhoudend, en humoristisch, en betrokken, en grappig, en luisterend, en vertellend, en lief, en koesterend, een doe-het-zelfman met karakter.

Maar wat is karakter? We waren even oud, in dezelfde maand geboren, in dezelfde maand jarig. Ik was van hier en Riekus was ook van hier. We waren aan elkaar gewaagd en we waren aan elkaar verschillend gelijk. We waren voor elkaar bestemd, als er zoiets als een bestemming bestaat.

Riekus was niet gelovig niet in een god en ik was niet gelovig. Ik geloof nog steed niet in een god, al heb ik wel een houten klap van de molenwiek meegekregen, een klap die doorgewerkt heeft in mijn leven, in mijn opvattingen.

Klappen die ook sporen hebben uitgewist in het leven en in de opvattingen van Riekus die na vijfentwintig jaar dood naast me lag. Twee bedden met een tussenruimte. Samen sliepen we apart. Vanaf de eerste huwelijksnacht, en daarvoor.

Ik spreek nog steeds in de tegenwoordige tijd, ook al is Riekus bijna twintig jaar dood. We trouwden om praktische zaken. We trouwden niet om een gezin te stichten.

Overal is een reden voor. Over kinderen hebben we nooit gesproken, eigen kinderen, het hoefde niet. We wisten dat zonder erover te praten.

We wisten meer zaken zonder erover te praten. We spraken weinig, al heb ik geen goede vergelijkingen. Ik weet niet hoeveel en hoe intens echtelieden met elkaar praten. Veel praten is niet goed voor een huwelijk. Zo dachten we erover. Ook dat hebben we niet uitgesproken. We zijn spaarzaam met woorden, van nature. Al weet ik niet wat van nature betekent. Van nature kan van alles betekenen. Het weer met regen en zonneschijn, met dreigende wolken, met ontladingen, met donder en bliksem.

Van nature kan het landschap zijn met glooiingen en vlakke akkers, met beekdalen, met Douglassparren en eikenbomen, met schimmels, zwammen, paddestoelen en met mieren die overal opduiken waar je wilt picknicken of waar je in de vrije natuur wilt plassen als de nood hoog is.

Van nature, uit de aard van de zaak. De karakteristieken van de ander en van jezelf. Van Riekus heb ik ze al genoemd. Mijn doe-het-zelf-man, mijn maatje, mijn klusser, mijn bewonderaar.

Riekus bewonderde en vereerde me. Ik liet me dat welgevallen. Als ik erin zou geloven, zou ik zeggen: Maar zo zie ik dat niet en zo voel ik dat ook niet. Bewondering en verering doen mij niet veel. Ik vind het snel een uiting van overdreven aandacht. Aandacht is niet mijn specialiteit. Mensen verdienen geen aandacht, het maakt ze lui, traag en passieloos. Wie veel aandacht krijgt komt tot niets. Wie aandacht wil geven kan beter aandacht geven aan de natuur.

De bossen, velden, stroompjes, de hunebedden en langgraven verdienen aandacht. Ze verdienen aandacht omdat ze ons hebben gemaakt en ze verdienen onze aandacht omdat ze er onverschillig onder blijven.

Ik blijf onverschillig onder aandacht. Ook de aandacht van Riekus laat ik me welgevallen zonder erdoor van slag te raken. Op aandacht reageer ik als een veldkei, een boom, een langgraf. Riekus lag dood naast me. Ik werd wakker van de geur. Ik werd wakker van de stank. Ik werd wakker van de lucht van urine, van pis en van stront. Zijn mond stond open. Riekus ademde niet meer. Uit het lijk dat zijn lichaam was geweest kwamen gassen die hij bij leven binnen had gehouden.

Ik had niets gemerkt. In het donker had ik, met koptelefoon op mijn oren en met de klanken van de Negende van Beethoven, niets gemerkt. Ik kan goed slapen, maar om in slaap te vallen heb ik muziek nodig. Ik luister elke avond naar klassieken. Na de laatste klanken van het slotkoor Alle Menschen werden Brüder ben ik weg.

Ik zou graag een symfonie horen over het landschap. Ik zou me graag met een klassiek werk over zand, veen en water, over heide, berken en bietenakkers in slaap laten brengen om de volgende ochtend opnieuw met die muziek wakker te worden.

Aardappelen, rogge, tarwe, boekweit, gerst, schapen, koeien, paarden. Ik wil graag wakker worden met trage opgewekte muziek over de essen en de brinken; met roeken verbeeld door koper of door violen. Een componist moet dat kunnen. Ode aan het Landschap. Riekus was niet van de muziek. Hij was een doehet-zelf-man. Hij was een klusser die het liefst in stilte zijn taken volbracht. Riekus maakte meubels, stoelen, tafels, kasten, dressoirs, bankjes voor in de tuin. Riekus timmerde ons bed.

Bij het Esmeer staat een eikenhouten bank, op verzoek van de Provincie. Cadeau voor een jachtopziener. Een bank voor vier personen met een koperen naambordje op de rugleuning: Ter herinnering aan Jan Patrijs. Petries zeiden de mensen, maar in het koper staat Patrijs. Ook dat hoort bij het landschap. Wie niet op deze leeftijd. Ik ben niet oud en ik ben niet jong. Leeftijd zegt me niets.

Ik heb Riekus nooit bij me binnengelaten. We hebben nooit de liefde bedreven. Niet dat hij me niet beminde, zeker wel, maar het geslachtelijke heb ik altijd gemeden. We wilden het niet. We hoefden het niet. We lieten het achterwege. We wilden geen kinderen, ook al hadden we dat nooit uitgesproken. Ook dat hoefden we niet hardop te zeggen.

Ik zei het al. Wie alles wil vertellen heeft geen tijd van leven over. Riekus en ik zeiden niet veel. We leefden met alle soorten van genoegens. We hadden geen geheimen voor elkaar. We hadden niets te verbergen. In de eerste jaren van ons huwelijk vroeg Riekus me om te kijken als hij zichzelf bevredigde. Ik mocht de koptelefoon erbij ophouden. Ik mocht naar mijn klassieken luisteren. Ik vond het amusant, niet veel meer dan amusant gedoe. Later stopte hij ermee. Misschien gaf hij zich in afzondering aan zijn lichaam over.

Ik weet het niet meer. Ik luisterde niet meer naar Mozart. Riekus lag dood op het andere bed van het lits jumeaux. Ik luisterde naar de Negende en ik dacht na. Ik dacht niet na. Ik wachtte op het Slotkoor. Ik wachtte nergens op. Mijn hele leven heb ik nergens op gewacht.

Ik heb geleefd wat zich aandiende en heel soms had ik het gevoel, of beter: Heel soms dacht ik dat ik richting aan mijn leven gaf, maar als ik naar buiten ging, de wolken zag, de zon, het gras, de beukenhaag en de koeien, dan wist ik weer dat het Landschap me had opgenomen en dat het Landschap me koesterde.

Als ik buiten in de natuur was, de natuur, door mensenhanden aangepast, wist ik dat het goed was. Ik zette de koptelefoon af en sloeg het dekbed terug.

Riekus in zijn morsig hemd en in zijn boxershort met papieren zakdoekjes in zijn zakken. Voor het geval dat.

Zijn short was nat. Ik ging naar de badkamer en haalde handdoek, washandje waslappie, zei Riekus en ik liet warm water in de lampetkan stromen. Al maakt het voor een lijk niet uit of het water warm of koud is. Ik waste Riekus voor de laatste keer. Ik had hem nog nooit gewassen, maar ik wist hoe het moest.

Ik luisterde zonder koptelefoon naar Mozart KV De dag na de crematie reed ik met onze kampeerbus, die nu mijn kampeerbus was, naar het zuiden, naar het oosten, naar de bergen.

Dat waren we van plan geweest en ik kon niet bedenken waarom ik dat plan zou veranderen. Ik had kunnen wachten tot ik de urn mee had kunnen nemen, maar waarom zou ik zijn as meenemen.

De as van zijn lijk. De as was niet meer van Riekus. Ik zag de bergen en de bossen die ik samen met Riekus had willen zien. Ik luisterde naar Beethoven die in de buurt had geleefd, maar er ook niet meer was, niet anders dan in mijn oren, in mijn koptelefoon.

Riekus zat in me en zijn as was waar zijn as hoorde. Drie weken bleef ik weg. Dat hadden we zo gepland en zo heb ik dat ook gedaan. Terug was ik blij weer thuis te zijn op eigen bodem. Dat gevoel was niet veranderd, zo had ik dat altijd: Ik was op tijd in de buurt. Aan het eind van de dag kon ik na mijn buitenlands oponthoud terecht bij het crematorium en de bus afhalen.

Ik maakte een omweg langs het Esmeer en at mijn laatste vakantieboterhammen op het bankje van Jan Patrijs. Op zijn bankje; het bankje van Riekus. Ik miste hem tegen mijn verwachtingen in.

Ik miste zijn vragen en zijn zorgzaamheid. Ik miste zijn praktische vaardigheden. Er is veel dat ik niet mis. Zo is dat nu eenmaal. Na een half jaar haalde ik de foto van hem uit de vensterbank. Hij was het niet. Hij was de foto nooit geweest en na een half jaar leek hij helemaal niet meer op de man met wie ik getrouwd was geweest. Ik heb geen foto s van Riekus.

Als ik hem wil zien, ga ik naar buiten. Luuk Lovers is een ander verhaal. Misschien was het een moment van onoplettendheid, misschien kwam het van zijn lied. Luuk Lovers zat op de bank van Jan Patrijs. Luuk Lovers zat op wat er over was van de bank van Riekus. De plek, het koperen plaatje met de naam, maar verder herinnerde niets aan Riekus. En dat hoefde ook niet.

Er is geen enkele noodzaak doden te gedenken. Kun je wel aan de gang blijven, zei Riekus toen hij nog leefde. Het hout was vervangen en de bank was een eindje verplaatst om beter zicht op de plas te hebben. Luuk Lovers zat met zijn armen gespreid, handen op de rugleuning. Hij nam bijna de hele bank in beslag.

Hij had me niet gehoord en hij floot Alle Menschen werden Brüder. In mijn hoofd zong ik mee. Ik ken de tekst, zo vaak heb ik de Negende al beluisterd.

Luuk Lovers zag me, staakte zijn concert en haalde eerst één arm van de rugleuning en daarna de andere arm. Het was een uitnodiging om naast hem te komen zitten. Zonder woorden nodigde hij me uit. Misschien was dat wat me overhaalde.

Ik ging naast hem zitten. We zwegen en na een minuut of tien floot hij opnieuw een deel van het slotkoor, Wer ein holdes Weib errungen alsof hij af moest maken waarmee hij was begonnen.

Hij schrok niet toen ik uit volle borst meezong. Dat gaf de doorslag. Dat was mijn vergissing. Ik nam hem mee. Ik nam hem mee naar mijn huis. Ik liet hem in mijn slaapkamer. Hij sliep op de ene helft van het lits jumeaux, op de helft waar Riekus vijfentwintig jaar had geslapen. Alle nachten bij me, zonder een keer te verzaken.

Luuk sliep voor ik Brahms tot het einde had beluisterd. Zo was dat ook met Riekus, al maakte mij dat niet uit. Riekus was dood en ik had zelfs geen foto van hem naast me op het kastje. Ik was Riekus niet vergeten, omdat ik niet weet hoe ik een herinnering kan wissen, maar ik dacht niet meer aan hem.

Luuk had een prettige geur om zijn lijf. Beetje zoetig aroma, beetje als dennenbomen op een warme zomerdag. Zelfs dat niet en we leken het beiden niet te missen.

Ik miste het niet. Ik houd niet van zoenen. Na een week of drie, vier begon Luuk te praten. Eerst voorzichtig, een beetje en later meer. Eerst over het weer en over de natuur en over hoe mooi het buiten was, en over hoe fris en klam en meer van die inleidende praatjes. Ik voelde dat er meer achter zat. Over het weer hoef je niet te praten. Het weer is er, net als de natuur. Misschien heeft hij dat aangevoeld. Misschien dat Luuk daardoor is gaan drinken.

Eerst voor het eten en daarna ook tijdens het avondeten en later ook na het avondeten en na het ontbijt. Luuk sloeg het ontbijt vaak over. Ik had hem weg kunnen sturen, maar waarom zou ik. Hij was er nu eenmaal en hij deed niets tegen mijn zin.

Hij bleef op zijn helft van het lits jumeaux. Heel af en toe hoorde ik zacht gekreun als er een stille passage in de muziek was Mozart, altijd bij Mozart, alsof hij dat wist. Ik begreep wat hij deed. En na het fluitconcert zette ik mijn voeten op de vloer van het tussenpad van het bed en trok ik het dekbed van zijn lichaam. Ik lachte en Luuk trok een sip gezicht.

Ik begreep niet waarom hij niet lachte. Hij haalde een tissue uit zijn boxershort. Nu heb ik straf verdiend, zei hij. Nu heb ik straf verdiend. Ik begreep niet wat hij bedoelde. Straf is voor zonde, maar wat hij deed was geen zonde. We hadden het nog nooit over zonde gehad, waarom zouden we ook. Zonde dat die vaas is gesneuveld, zonde dat het dak lekt, zonde dat de pruimenjam op is. Zonde dat Riekus dood is. Het leven is wat je toevalt en als je denkt dat het leven is wat je ervan maakt, dan is dat ook goed.

Van dit ene kwam dat andere. Luuk kocht zweepjes en riemen. Hij kocht een halsband als voor een hond. Hij gaf me wat hij noemde passende kleding voor een meesteres. Ik ben geen meesteres. Als ik al iets ben liever ben ik niets ben ik een kleuterjuf en vermaak ik een peuter. Luuk drinkt steeds meer en s avonds ruik ik zijn adem als ik naar Borodin luister. Ik wissel niet meer naar Mozart als ik hem hoor bewegen op de matras, hoe passend K ook is voor wat hij doet.

Nee, ik verlang niet naar Riekus. Ik verlang niet naar doden. Ik verlang niet naar wat onontkoombaar voorbij is. Maar af en toe ben ik zat van het spelletje. Ik kan en wil hem niet geven wat hij verlangt. Ik heb genoeg aan mezelf. Als Maagd ga ik mijn graf in, of de urn. Zo is het begonnen. Voor de grap tikte ik Luuk met de vliegenmepper. Zijn droef gezicht verdween. Hij vroeg me opnieuw te slaan. Luuk keek steeds blijer. Het leek niet gespeeld.

Hij werd echt vrolijk. Ik werd blij van het spel. Dat had ik niet van mezelf gedacht. Ik ben in de verkeerde eeuw geboren. Ik hoor thuis in de vroege Middeleeuwen met hun kerstening, met Willebrordus, Bonefatius, Magnus, met stilte, heel veel stilte. De Middeleeuwen met zang en dans, met zwierige gewaden en kaarsen en houtvuur in de schouw. De Middeleeuwen met luit en schalmei, met fluiten en tamboerijnen en later met klavecimbel en harp.

Mijn gevoel in de verkeerde tijd geboren te zijn heb ik lang voor me gehouden. Onbewust voelde ik aan dat ik beter niet kon zeggen van een andere tijd te zijn. Maar als kind op de lagere school wist ik dat al. Ik kreeg niet genoeg van ridders en kastelen, van Floris, van Karel en de Elegast. Mijn klasgenoten de jongens vochten mee. We maakten onze zwaarden uit planken en latten. Ik had mijn zwaard geverfd. Vlammend rood en geel. Van het bloed natuurlijk.

Een fietsbandhandvat achter een verfblik. Ik had het mooiste zwaard. Op de lagere school bleef ik heel lang kinderachtig, maar dat wist ik niet en het stoorde me ook niet. Ik was ridder met een zwaard en een schild; donkerblauw deksel van een geëmailleerde ketel waarin mijn moeder bonen weckte.

Maar wecken ging voorbij, de eerste vriezers kwamen, er waren groenten in blik, er kwamen conserven. En groenten uit de tuin natuurlijk.

Mijn vriendjes gingen voetballen. Ik speelde met speelgoedridders en ik maakte forten, kastelen, hefbruggen en stenenwerpers van lego. Uit hout sneed ik mijn eigen ridders, uit klei kneedde ik jonkvrouwen.

Ik kom uit een gezin met negen kinderen. Voor mijn verhaal zou het beter zijn om de jongste te zijn, maar dat was ik niet. Ik was het middelste kind. Uiterlijk leken we op elkaar. Je kunt wel zien dat je een van Iedereen kon zien van wie ik er een was.

Ik hoefde dat nooit te vertellen. In het begin zei ik: Ja of Ja, meneer en Ja, juffrouw. Dat liet ik later achterwege. Er is voor mij nooit onhelderheid geweest over mijn afkomst.

Achterhoek, klein dorp in de Achterhoek. Heel vriendelijke en milde mensen. Geen ruzie, altijd meeleunen. Ik begrijp je wel. Wees maar niet bang. Mijn wereld was het kasteel met de slotgracht, de toren met de gevangenis en de martelkamer. Ik ben daar nooit los van gekomen.

Wolbers is afgeleid van Walburg, een burcht, een slot, een kasteel. Ik heb dat nagezocht. Ik ben een nazaat van ridders uit de tijd van Karel de Stoute. Op school zongen we Drie schuintamboers en Daar waren twee koningskinderen en meer liederen uit die tijd. De juffrouw speelde piano, maar ik wist dat er een luit bij hoorde of een schalmei, bij die liedjes, en een trommel.

Een trommel met twee stokken, rombom. Thuis zongen we ook. We hadden het niet ruim, maar vader en moeder zongen met ons.

We zongen elke dag, gewoon, terwijl we met andere dingen bezig waren. Moeder kookte, vader rommelde in de kamer.

Mijn oudere zusjes dekten de tafel maakten de tafel klaar en mijn jongere broertjes deden wat jongere broertjes doen. Ik weet dat niet meer, maar we zongen. Dikkertje Dap zat op de trap en Het lied van de Veldmuis. Saamhorigheid, zo zou ik dat nu noemen. Ik kon mooi zingen, voor mijn stem brak, ook daarna kon ik nog steeds mooi zingen.

Maar zingen was niet langer voor jongens. Op school was zingen niet langer voor jongens, tenzij je er gitaar bij kon spelen en Engels kon zingen. Ik kon gitaar spelen en ik sprak ook goed Engels, maar ik hield niet van Engelse pop. Ik hield van de Middeleeuwen en dat is niet voorbij gegaan. Ik houd nog steeds van de Middeleeuwen, van kerkmuziek, madrigalen en motetten. Ik houd van kloostergezang van aria s en van sopranen. Mijn ouders hadden geen geld. Ze hadden negen kinderen.

Zingen was genoeg, want iedereen die zingt is rijk. Maar nu weet ik meer en ook een beetje beter. Nooit hebben ze mijn kastelen opgeborgen, nooit hebben ze mijn zwaarden verborgen of weggegooid. Ik heb ze nog, mijn kastelen van lego en mijn zwaarden van hout, ijzer, plastic buis en zwaarden, degens en hellebaarden uit de speelgoedwinkel. Mijn pak van Ivanhoe heb ik nog. Ik heb een blijde en onbekommerde jeugd gehad. Geen kwalen, geen tegenslagen.

Ik hoefde niets te betalen. Na de middelbare school betaalde de pianolerares mijn eerste jaar op het conservatorium. Ze geloofde in mij. Na het eerste jaar op het conservatorium kreeg ik studiefinanciering.

De pianolerares betaalde niet langer. Tijdens haar uitvaartmis heb ik gezongen, ook solo. Ave Maria en In Paradisum. Ze heette Maria, mijn pianolerares. Maria huilde in mij, maar pas na de kerkdienst.

Ik zag haar voornaam op haar overlijdenskaart. Ik kende alleen haar achternaam. Wat wil een ridder nog meer? Pas na haar begrafenis keek ik naar meisjes, andere vrouwen. Niet dat ik een afkeer van meisjes had, niet dat ik meisjes niet een beetje kende ik heb zes zussen maar gewoon omdat ik in de Middeleeuwen leefde. Ze hoefde niet op een erwt te slapen, maar ik zocht een prinses met een hoge satijnen kroon, een ruisende galajurk, een rank figuur en blonde haren.

Ik zeg het niet goed. Ik zocht niet echt. Maria zocht en ze vond mij. Ze studeerde piano in het derde jaar en ik verdiepte me in klavecimbel en orgel in het eerste jaar. Ik speelde luit en tamboerijn en ik zong. Mijn dagen en nachten waren gevuld met muziek, muziek en nog eens muziek.

En toen kwam Maria. Maria kende Het lied van de Veldmuis. In het bos zongen we Het lied van de Veldmuis en in de duinen van Schiermonnikoog zongen we Het lied van de Veldmuis. De bunker was mijn kasteel. Met de zee in de verte zongen we Het lied van de Veldmuis. We waren twee koningskinderen, maar andere koningskinderen dan uit het lied die prins verdronk en de prinses pleegde zelfmoord om haar verdriet kwijt te raken.

Nadat ik haar torenkamertje had ontsloten en ik mijn verovering kon voltooien zongen we opnieuw Het lied van de Veldmuis. Ik weet dat zo n liefdesverhaal kinderachtig klinkt. Dat is het ook, maar van alle verhalen die ik hoor over ontmoetingen, veroveringen en liefde vind ik mijn eigen verhaal, het verhaal van Maria en mij en de Veldmuis toch het meest waarschijnlijk, het meest hoffelijk en het meest ridderlijk.

Muziek bindt Maria en mij, en de kinderen, maar de kinderen zijn het huis uit. Allemaal bespelen ze een instrument en allemaal kunnen ze verdienstelijk zingen. Als ze thuis komen, niet zo vaak, zingen we samen de liedjes uit mijn jeugd, uit hun jeugd. En als Maria en ik weer getweeën zijn speelt zij piano en zing ik een Middeleeuws lied.

Een paar jaar verkleedden we ons als we samen waren. Maria als jonkvrouw en ik als ridder, maar dat doen we niet meer. We hebben de herinnering. Als we zingen voelen we de Middeleeuwen. Maria is mij ter wille. Ze heeft me gekozen om mijn lichaam, mijn hoofd, mijn muzikaliteit, mijn zang en om mijn hersenen hersens zeggen de mensen hier.

Ik ben niet dom, maar ik ben ook niet knap wat nadenken aangaat. Ik heb moeite met abstracties en met filosofie. Goddeloos ben ik opgevoed.

Mijn ouders hadden geen geloof, bedoeld natuurlijk: Als god bestaat, had hij alle armen wel rijk gemaakt, zei mijn vader. Onze rijkdom bestond uit brood, een huis en uit gezang. En mensen die wel in god geloven zijn niet beter af. Metafysica heb ik helaas nooit geleerd.

Ik geloof niet in horoscopen, niet in god, niet in pendelen en astrologie. Ik geloof in wat ik hoor en vast kan pakken. Maria is knapper dan ik. Ze lijkt niet alleen op de jonkvrouw uit mijn kinderdroom, maar ze is ook intelligent en dat is een voordeel voor een man met minder verstand.

De chromosomen hebben we redelijk goed doorgegeven. We hebben knappe kinderen met universiteit achter de rug en kinderen met minder scholing; de jongste heeft vmbo. Hij heeft een aantrekkelijk lichaam en hij kan mooi zingen heeft hij van mij. Ik heb hem afgeraden om te fluiten als hij aan de weg werkt, maar hij lacht tegen me als ik dat zeg.

Meisjes willen veroverd worden, zegt hij. Met mijn fluite, fluite, fluit, zingt hij. Ik sputter niet tegen. Hij weet wel dat Maria mij heeft veroverd, daar kwam geen ridderzwaard aan te pas. Ik ben niet intelligent, maar ik weet dat goed te verbergen. Als het maar een beetje kan praat ik over de Middeleeuwen of over klassieke muziek.

Weinig mensen hebben daar kennis van. Ik ben ze snel de baas met mijn feiten en met mijn passie. De meeste mensen weten niet wat een octaaf is, of een madrigaal. Ik ben er niet op uit om te imponeren, maar mijn kennis van Middeleeuwen en muziek houdt me staande in bijna elk gezelschap. In welke eeuw had je willen leven?

Dat is intelligenter dan: Welk beest had je willen zijn? In een tweedehandsboekwinkel trof ik een klant die een Encyclopedie over de Tachtigjarige Oorlog kocht. Oorsprongh, begin en vervolgh der Nederlandsche oorlogen. Niet vanwege het gewicht van de boeken het waren er totaal 37 maar van opwinding, ik zag het, zoveel geld voor zoveel kennis over zijn hartstocht. En waarschijnlijk wist die man alles al van de Tachtigjarige Oorlog.

Maar wat een passie. Ik hoorde muziek in mijn hoofd. Ik had nog geen boek gevonden, maar ik ging spontaan terug naar het rek over de Middeleeuwen. Maria is lange tijd kostwinner geweest, vooral in de tijd dat ik ging componeren. Lesgeven was niets voor me, al heb ik dat wel gedaan. Toonladders elke keer weer, ook voor a-muzikale kinderen, en die zijn er genoeg.

Ik kon niet veel anders dan lesgeven. Ik was geen goede leraar, maar dat viel niet op. Er waren er meer zoals ik. Ik ben niet intelligent genoeg om kennis en vaardigheden door te geven. Voor privé-lessen heb ik geen geduld. Ik kan juffrouw VandeCastele niet evenaren, dat zal het zijn. Ik koester haar herinnering. Blond haar en blauwe ogen en niet te veroveren. Niet te veroveren door een kindridder. Ze kende al jaren haar lot, dat ook het onze is.

Zie maar, een beetje filosofisch ben ik wel. Ik ben met school gestopt, niet in eens, maar langzaam. Ik deed alsof ik lesgaf. Het viel niet op, maar het ging me tegenstaan. Ik nam een jaar om ander werk te vinden. Mediator kwam uit de beroepentest, omdat ik volgens het onderzoekje goed kan luisteren.

Heb ik geleerd door de muziek. Ik hoor feilloos de dissonanten en als een dirigent corrigeer ik de faux pas van de dolende. Ik herschrijf de partituur en ik speel de vragensteller voor, wat ik hoor in zijn verhaal. Ik laat horen hoe het leven ook kan zijn.

Mijn composities zijn geïnspireerd op mijn cliënten. A-tonaal en soms barok, chaotisch. Daar is niets Middeleeuws aan. Maria speelt ze voor me. Niemand wil mijn muziek op zijn repertoire.

Ik begrijp dat wel. Mijn composities zijn mijn vertaling van deze tijd. Mijn composities laten horen en zien hoe ik deze tijd ervaar. Ik zei het al; ik leef in de verkeerde eeuw. Ik hoor de Middeleeuwen. Ik weet niet welke gruwelijkheden hij heeft ondergaan. Ik weet niet welke gruwelijkheden hij heeft uitgevoerd, bevlogen, vrijwillig, met tegenzin of onder dwang. Ik weet niet zoveel van mijn vader en ook over mijn moeder kan ik geen interessante verhalen vertellen.

Daarin verschil ik niet van anderen uit mijn geboortestreek. Ik ben in een klein dorp geboren, kleiner dan Ondermaten. Het was een streekje, een mooi streekje. Mooi omdat ik geen andere streek en geen ander dorp, geen andere stad en geen ander land had gezien.

Mijn streek was mijn wereld. Ik was een jaar of acht. Ik ging voor het eerst naar school. Het was de eerste keer dat ik mijn streekje verliet. Twee, drie kilometer in het vierkant. Vijf huisjes, net zoveel schuurtjes en landjes in mozaïekpatroon, gedicteerd door de hellingen, de stroompjes en erosiegeulen. Iedereen wist wat van wie was en iedereen wist wat gezamenlijk bezit was. Iedereen paste op elkaar, iedereen lette op elkaar, iedereen was de ander en de ander was iedereen.

Ik was een onderdeel van een groter organisme. In mijn eerste taal is er geen woord voor individu. Alle mannen zijn mijn vader, ook de ooms heten vader en alle neven en nichten zijn broers en zusters. Er zijn geen woorden voor neven en nichten.

Ik weet dat mijn vader mijn vader is door de gelijkenis. Ik heb het tengere postuur van mijn vader. Ik heb zijn oogopslag en zijn kleur, en als ik destijds het woord ervoor had gekend, had ik gezegd dat ik het karakter van mijn vader heb, meer dan van mijn moeder. Van nature ben in ingehouden en verkeer ik graag op de achtergrond.

Als het leven het vraagt, laat ik me zien. Ik ben vaardig in het sociale spel, maar het is niet mijn aard. Zo was mijn vader. Zo ervaar ik mezelf. Als er al twijfel zou bestaan, zou ik twijfelen aan mijn moeder. Ik weet niet of zij mij gebaard heeft. Ik moet afgaan op wat mijn vader en mijn moeder zeggen. Als ik ze geloof, zijn zij mijn vader en mijn moeder. Misschien begon het toen ik acht jaar was, misschien heeft het altijd in me gezeten, maakte het altijd deel van me uit, ondanks de streek.

De omgeving bepaalt de vorm, maar heeft niets te zeggen over de aard, zo kan het zijn. Op school trof ik andere kinderen, andere meisjes en andere jongens, vooral andere meisjes. De scholen waren apart, maar stonden naast elkaar. Er was een hek tussen de scholen. Een afscheiding van horizontale takken aan korte stammen.

Leek op de afrasteringen, op de glints die ik bij boerderijen in en rond Ondermaten zag. Eenvoudige palen met bovenlangs planken. Het was heel gemakkelijk om naar de andere lokalen te gaan, maar niemand doorbrak de grens.

We wisten dat de andere kant verboden terrein was. Ik keek en ik zag andere kinderen, jongens, anderen die geen deel uitmaakten van mijn organisme, van het organisme in mijn streek. Later las ik dat er kwallen, koralen en andere dieren zijn die bestaan uit tientallen, honderden samenwerkende cellen, maar die toch ieder voor zich bestaan. Ik kende het woord niet, maar in de meisjesschool, binnen gehoorsafstand van roepende jongetjes ontdekte ik mijn individualiteit.

Ik was ik en ik ben nog steeds die ik: Ik leerde lezen en schrijven. Met mijn lezen en schrijven groeide mijn individu.

Mijn vader kon ook lezen en schrijven, al heb ik daar weinig van gemerkt. Mijn moeder de vrouw die ik mijn moeder noem kon niet lezen en schrijven. Als ze dat wel kon, heeft ze dat goed weten te verbergen. Ik ben een spion.

Ik weet veel en ik onderzoek wat ik niet begrijp. We hadden een klein huis, een lemen hut met een paar afdelingen gescheiden door een deken of een laken. Een rieten rolmat op de lemen vloer was het bed. Mijn vader sliep vaak in de schuur. Eenmaal in de week kwam hij bij mijn moeder, soms weken niet. Ik hoorde zacht gepraat, hard gepraat, geschreeuw, beweging en daarna was het stil en volgde gehuil.

Mijn vader vertrok naar de schuur of verdween in de nacht naar ik weet niet waar.

Meisje vingert haar eindhoven sex



den haag prive ontvangst natte preute

Home   Plaats advertentie   Inloggen: Copyright © - Inter-IT B. Amateur meiden willen seks           Geile vrouwen willen neuken! Menu   Home   Plaats advertentie   Inloggen: Marie-Claire Vurige dame geeft eromassage en penisballen Massage Marie-Claire Vurige dame geeft eromassage en penisballen Massage Knappe dame, goed figuurtje geeft eromassage en penisballen massage plus orgasme.

Het is puur relaxen en pas op het is geil en je raakt zeer opgewonden van mijn strelingen en masseren van je spieren hoort er ook bij Zo ook je ballen en penis spieren Ik speel net zeszo lang tot je stevig klaarkomt en het zal je verbazen hoe heftig dit is Mail voor info plus pikante fotos. Deze sexy Bianca is altijd geil! Hallo heren ik ben Bianca een nederlandse meisje die van haar hobby haar baan heeft gemaakt. Ik kan je heel goed verleiden met mijn zachte lippen en goedevormingen.

Wil je lekker zonder condoom gepijpt worden of heb je andere fantasieën niks is te gek voor me. Je kan me bellen en whatsappen voor een date xx Half uur 80 Heel uur Heerlijke geile erotische massage Heerlijke geile erotische massage Spannende Erotische massage door exclusief dame Liefhebbers van ontspanning. Ik ben een vrolijke dame en geef vurige Erotische massages zo wel met HP open sfeer.

Gezellig open haartje, mits de buitentemperatuur daarom vraagt. Super leuk appartement dus persoonlijker als in een club of bij de Thai. Heerlijke loungemuziek waardoor je je volledig Zen gaat voelen. Deze sexy tiener heeft zin in seks! Hallo heren ik ben Naomi een nederlandse meisje die van haar hobby haar baan heeft gemaakt.

Whatsapp me voor een date xx Half uur 60 Heel uur Ik ben dus opzoek naar een suikeroom die mij maandelijks financieel kan helpen, terug betaling bespreekbaar. Ik wil mijn kinderen alles kunnen geven.

Tevens heb ik een huurschuld. Maar ik kom niet rond elke maand. Dus voel jij de aangewezen persoon om mij financieel bij te staan mail mij dan snel!!!! Jong onderdanig sletje gezocht.

Ben jij een jong onderdanig sletje die lekker gebruikt wilt worden, hou jij van bdsm en ben jij zaadgeil dan zoek ik jou. Zelf ben ik een dominante man van 35 met blond haar, blauwe ogen een normaal postuur en goed geschapen.

Ik kan ontvangen en verplaatsen xxx. Monica SEXY ,jong en geil Hallo lieve schatten ik ben monica 25jaar ik ben hindoestaanse slank licht getint lang haar en een volle c cub. Heb je zin een heerlijk uurtje of half uurtje kan ook een vluggertje met met mij dan kan dat 15 minuten 50 euro 30 minuten 70 en een uur euro Ook voor erotische massage en intiem Bel gerust voor een afspraak Bellen met nummer weergave en privé word niet beantwoord Kan ook via whats app afspraken maken Alleen nette Ook zzp er hoeft niet.

Ze heeft geen koninklijk bloed, maar ze hoeft niets te doen voor de kost. Matty heeft ook anekdotes. Ze vertelde me één en dat vond ze genoeg. Ik mag dat zkv wel verder vertellen, maar dat doe ik niet. Dat heb ik met mezelf afgesproken. Bij Matty voel ik me veilig en vertrouwd. Klinkt goedkoop, maar zo is het.

We hebben ieder onze rol in ons geheel. Toen Matty nog niet in de overgang was, toen ze nog maandelijks ongesteld was, kon ik een maand tevoren in de agenda kalender zegt Matty aangeven wanneer het spel gespeeld zou worden. Rode zijden cape goudomzoomd. Gouden knopen en een gouden gesp vlak boven haar borsten. Ik weet wat ze onder de cape draagt. Glimmend zachtroze slipje zonder kruis. Leren banden met veel metaal boven haar knieën, om haar enkels, polsen, bovenarmen; met knoppen als van koperen spijkers om bekleding op stoelen vast te zetten.

Om elke borst, niet meer zo strak en tuiterig als voorheen, draagt ze een driehoekige zwartleren bh. Nou ja, de driehoek fungeert niet als houder van de buste, maar meer als omkadering. Zwarte laarzen met kettingen en met halfhoge hakken. Ze is een mangaheerseres. Ze ziet er prachtig uit als koningin. Ze wil mij als slaaf. Ik doe dat graag voor haar, en voor mij. Ik krijg graag straf. Straf lucht me op. Straf laat me leven.

Sla maar, roep ik. Vijfentwintig jaar had hij elke nacht naast me gelegen, geen nacht overgeslagen. Trouw als een hond. Maar ik heb het niet op honden. Vijfentwintig jaar trouw, en levend, en begrijpend, en verzorgend, en onderhoudend, en humoristisch, en betrokken, en grappig, en luisterend, en vertellend, en lief, en koesterend, een doe-het-zelfman met karakter. Maar wat is karakter?

We waren even oud, in dezelfde maand geboren, in dezelfde maand jarig. Ik was van hier en Riekus was ook van hier. We waren aan elkaar gewaagd en we waren aan elkaar verschillend gelijk. We waren voor elkaar bestemd, als er zoiets als een bestemming bestaat. Riekus was niet gelovig niet in een god en ik was niet gelovig. Ik geloof nog steed niet in een god, al heb ik wel een houten klap van de molenwiek meegekregen, een klap die doorgewerkt heeft in mijn leven, in mijn opvattingen.

Klappen die ook sporen hebben uitgewist in het leven en in de opvattingen van Riekus die na vijfentwintig jaar dood naast me lag. Twee bedden met een tussenruimte. Samen sliepen we apart. Vanaf de eerste huwelijksnacht, en daarvoor. Ik spreek nog steeds in de tegenwoordige tijd, ook al is Riekus bijna twintig jaar dood. We trouwden om praktische zaken. We trouwden niet om een gezin te stichten. Overal is een reden voor. Over kinderen hebben we nooit gesproken, eigen kinderen, het hoefde niet.

We wisten dat zonder erover te praten. We wisten meer zaken zonder erover te praten. We spraken weinig, al heb ik geen goede vergelijkingen. Ik weet niet hoeveel en hoe intens echtelieden met elkaar praten. Veel praten is niet goed voor een huwelijk. Zo dachten we erover. Ook dat hebben we niet uitgesproken. We zijn spaarzaam met woorden, van nature.

Al weet ik niet wat van nature betekent. Van nature kan van alles betekenen. Het weer met regen en zonneschijn, met dreigende wolken, met ontladingen, met donder en bliksem. Van nature kan het landschap zijn met glooiingen en vlakke akkers, met beekdalen, met Douglassparren en eikenbomen, met schimmels, zwammen, paddestoelen en met mieren die overal opduiken waar je wilt picknicken of waar je in de vrije natuur wilt plassen als de nood hoog is.

Van nature, uit de aard van de zaak. De karakteristieken van de ander en van jezelf. Van Riekus heb ik ze al genoemd. Mijn doe-het-zelf-man, mijn maatje, mijn klusser, mijn bewonderaar.

Riekus bewonderde en vereerde me. Ik liet me dat welgevallen. Als ik erin zou geloven, zou ik zeggen: Maar zo zie ik dat niet en zo voel ik dat ook niet. Bewondering en verering doen mij niet veel.

Ik vind het snel een uiting van overdreven aandacht. Aandacht is niet mijn specialiteit. Mensen verdienen geen aandacht, het maakt ze lui, traag en passieloos. Wie veel aandacht krijgt komt tot niets. Wie aandacht wil geven kan beter aandacht geven aan de natuur. De bossen, velden, stroompjes, de hunebedden en langgraven verdienen aandacht. Ze verdienen aandacht omdat ze ons hebben gemaakt en ze verdienen onze aandacht omdat ze er onverschillig onder blijven.

Ik blijf onverschillig onder aandacht. Ook de aandacht van Riekus laat ik me welgevallen zonder erdoor van slag te raken.

Op aandacht reageer ik als een veldkei, een boom, een langgraf. Riekus lag dood naast me. Ik werd wakker van de geur. Ik werd wakker van de stank. Ik werd wakker van de lucht van urine, van pis en van stront. Zijn mond stond open. Riekus ademde niet meer. Uit het lijk dat zijn lichaam was geweest kwamen gassen die hij bij leven binnen had gehouden. Ik had niets gemerkt. In het donker had ik, met koptelefoon op mijn oren en met de klanken van de Negende van Beethoven, niets gemerkt.

Ik kan goed slapen, maar om in slaap te vallen heb ik muziek nodig. Ik luister elke avond naar klassieken. Na de laatste klanken van het slotkoor Alle Menschen werden Brüder ben ik weg.

Ik zou graag een symfonie horen over het landschap. Ik zou me graag met een klassiek werk over zand, veen en water, over heide, berken en bietenakkers in slaap laten brengen om de volgende ochtend opnieuw met die muziek wakker te worden.

Aardappelen, rogge, tarwe, boekweit, gerst, schapen, koeien, paarden. Ik wil graag wakker worden met trage opgewekte muziek over de essen en de brinken; met roeken verbeeld door koper of door violen. Een componist moet dat kunnen. Ode aan het Landschap. Riekus was niet van de muziek.

Hij was een doehet-zelf-man. Hij was een klusser die het liefst in stilte zijn taken volbracht. Riekus maakte meubels, stoelen, tafels, kasten, dressoirs, bankjes voor in de tuin. Riekus timmerde ons bed. Bij het Esmeer staat een eikenhouten bank, op verzoek van de Provincie. Cadeau voor een jachtopziener. Een bank voor vier personen met een koperen naambordje op de rugleuning: Ter herinnering aan Jan Patrijs.

Petries zeiden de mensen, maar in het koper staat Patrijs. Ook dat hoort bij het landschap. Wie niet op deze leeftijd. Ik ben niet oud en ik ben niet jong. Leeftijd zegt me niets. Ik heb Riekus nooit bij me binnengelaten. We hebben nooit de liefde bedreven. Niet dat hij me niet beminde, zeker wel, maar het geslachtelijke heb ik altijd gemeden. We wilden het niet. We hoefden het niet. We lieten het achterwege. We wilden geen kinderen, ook al hadden we dat nooit uitgesproken. Ook dat hoefden we niet hardop te zeggen.

Ik zei het al. Wie alles wil vertellen heeft geen tijd van leven over. Riekus en ik zeiden niet veel. We leefden met alle soorten van genoegens. We hadden geen geheimen voor elkaar. We hadden niets te verbergen. In de eerste jaren van ons huwelijk vroeg Riekus me om te kijken als hij zichzelf bevredigde. Ik mocht de koptelefoon erbij ophouden. Ik mocht naar mijn klassieken luisteren. Ik vond het amusant, niet veel meer dan amusant gedoe.

Later stopte hij ermee. Misschien gaf hij zich in afzondering aan zijn lichaam over. Ik weet het niet meer. Ik luisterde niet meer naar Mozart. Riekus lag dood op het andere bed van het lits jumeaux. Ik luisterde naar de Negende en ik dacht na. Ik dacht niet na. Ik wachtte op het Slotkoor. Ik wachtte nergens op. Mijn hele leven heb ik nergens op gewacht. Ik heb geleefd wat zich aandiende en heel soms had ik het gevoel, of beter: Heel soms dacht ik dat ik richting aan mijn leven gaf, maar als ik naar buiten ging, de wolken zag, de zon, het gras, de beukenhaag en de koeien, dan wist ik weer dat het Landschap me had opgenomen en dat het Landschap me koesterde.

Als ik buiten in de natuur was, de natuur, door mensenhanden aangepast, wist ik dat het goed was. Ik zette de koptelefoon af en sloeg het dekbed terug. Riekus in zijn morsig hemd en in zijn boxershort met papieren zakdoekjes in zijn zakken.

Voor het geval dat. Zijn short was nat. Ik ging naar de badkamer en haalde handdoek, washandje waslappie, zei Riekus en ik liet warm water in de lampetkan stromen. Al maakt het voor een lijk niet uit of het water warm of koud is. Ik waste Riekus voor de laatste keer. Ik had hem nog nooit gewassen, maar ik wist hoe het moest.

Ik luisterde zonder koptelefoon naar Mozart KV De dag na de crematie reed ik met onze kampeerbus, die nu mijn kampeerbus was, naar het zuiden, naar het oosten, naar de bergen.

Dat waren we van plan geweest en ik kon niet bedenken waarom ik dat plan zou veranderen. Ik had kunnen wachten tot ik de urn mee had kunnen nemen, maar waarom zou ik zijn as meenemen.

De as van zijn lijk. De as was niet meer van Riekus. Ik zag de bergen en de bossen die ik samen met Riekus had willen zien. Ik luisterde naar Beethoven die in de buurt had geleefd, maar er ook niet meer was, niet anders dan in mijn oren, in mijn koptelefoon. Riekus zat in me en zijn as was waar zijn as hoorde. Drie weken bleef ik weg.

Dat hadden we zo gepland en zo heb ik dat ook gedaan. Terug was ik blij weer thuis te zijn op eigen bodem. Dat gevoel was niet veranderd, zo had ik dat altijd: Ik was op tijd in de buurt. Aan het eind van de dag kon ik na mijn buitenlands oponthoud terecht bij het crematorium en de bus afhalen. Ik maakte een omweg langs het Esmeer en at mijn laatste vakantieboterhammen op het bankje van Jan Patrijs. Op zijn bankje; het bankje van Riekus. Ik miste hem tegen mijn verwachtingen in. Ik miste zijn vragen en zijn zorgzaamheid.

Ik miste zijn praktische vaardigheden. Er is veel dat ik niet mis. Zo is dat nu eenmaal. Na een half jaar haalde ik de foto van hem uit de vensterbank. Hij was het niet. Hij was de foto nooit geweest en na een half jaar leek hij helemaal niet meer op de man met wie ik getrouwd was geweest. Ik heb geen foto s van Riekus. Als ik hem wil zien, ga ik naar buiten. Luuk Lovers is een ander verhaal. Misschien was het een moment van onoplettendheid, misschien kwam het van zijn lied.

Luuk Lovers zat op de bank van Jan Patrijs. Luuk Lovers zat op wat er over was van de bank van Riekus. De plek, het koperen plaatje met de naam, maar verder herinnerde niets aan Riekus. En dat hoefde ook niet. Er is geen enkele noodzaak doden te gedenken. Kun je wel aan de gang blijven, zei Riekus toen hij nog leefde. Het hout was vervangen en de bank was een eindje verplaatst om beter zicht op de plas te hebben.

Luuk Lovers zat met zijn armen gespreid, handen op de rugleuning. Hij nam bijna de hele bank in beslag. Hij had me niet gehoord en hij floot Alle Menschen werden Brüder.

In mijn hoofd zong ik mee. Ik ken de tekst, zo vaak heb ik de Negende al beluisterd. Luuk Lovers zag me, staakte zijn concert en haalde eerst één arm van de rugleuning en daarna de andere arm.

Het was een uitnodiging om naast hem te komen zitten. Zonder woorden nodigde hij me uit. Misschien was dat wat me overhaalde. Ik ging naast hem zitten. We zwegen en na een minuut of tien floot hij opnieuw een deel van het slotkoor, Wer ein holdes Weib errungen alsof hij af moest maken waarmee hij was begonnen. Hij schrok niet toen ik uit volle borst meezong.

Dat gaf de doorslag. Dat was mijn vergissing. Ik nam hem mee. Ik nam hem mee naar mijn huis. Ik liet hem in mijn slaapkamer. Hij sliep op de ene helft van het lits jumeaux, op de helft waar Riekus vijfentwintig jaar had geslapen.

Alle nachten bij me, zonder een keer te verzaken. Luuk sliep voor ik Brahms tot het einde had beluisterd. Zo was dat ook met Riekus, al maakte mij dat niet uit.

Riekus was dood en ik had zelfs geen foto van hem naast me op het kastje. Ik was Riekus niet vergeten, omdat ik niet weet hoe ik een herinnering kan wissen, maar ik dacht niet meer aan hem. Luuk had een prettige geur om zijn lijf. Beetje zoetig aroma, beetje als dennenbomen op een warme zomerdag. Zelfs dat niet en we leken het beiden niet te missen. Ik miste het niet. Ik houd niet van zoenen. Na een week of drie, vier begon Luuk te praten.

Eerst voorzichtig, een beetje en later meer. Eerst over het weer en over de natuur en over hoe mooi het buiten was, en over hoe fris en klam en meer van die inleidende praatjes. Ik voelde dat er meer achter zat.

Over het weer hoef je niet te praten. Het weer is er, net als de natuur. Misschien heeft hij dat aangevoeld. Misschien dat Luuk daardoor is gaan drinken. Eerst voor het eten en daarna ook tijdens het avondeten en later ook na het avondeten en na het ontbijt. Luuk sloeg het ontbijt vaak over.

Ik had hem weg kunnen sturen, maar waarom zou ik. Hij was er nu eenmaal en hij deed niets tegen mijn zin.

Hij bleef op zijn helft van het lits jumeaux. Heel af en toe hoorde ik zacht gekreun als er een stille passage in de muziek was Mozart, altijd bij Mozart, alsof hij dat wist. Ik begreep wat hij deed. En na het fluitconcert zette ik mijn voeten op de vloer van het tussenpad van het bed en trok ik het dekbed van zijn lichaam.

Ik lachte en Luuk trok een sip gezicht. Ik begreep niet waarom hij niet lachte. Hij haalde een tissue uit zijn boxershort. Nu heb ik straf verdiend, zei hij. Nu heb ik straf verdiend. Ik begreep niet wat hij bedoelde. Straf is voor zonde, maar wat hij deed was geen zonde. We hadden het nog nooit over zonde gehad, waarom zouden we ook. Zonde dat die vaas is gesneuveld, zonde dat het dak lekt, zonde dat de pruimenjam op is. Zonde dat Riekus dood is.

Het leven is wat je toevalt en als je denkt dat het leven is wat je ervan maakt, dan is dat ook goed. Van dit ene kwam dat andere. Luuk kocht zweepjes en riemen.

Hij kocht een halsband als voor een hond. Hij gaf me wat hij noemde passende kleding voor een meesteres. Ik ben geen meesteres. Als ik al iets ben liever ben ik niets ben ik een kleuterjuf en vermaak ik een peuter. Luuk drinkt steeds meer en s avonds ruik ik zijn adem als ik naar Borodin luister. Ik wissel niet meer naar Mozart als ik hem hoor bewegen op de matras, hoe passend K ook is voor wat hij doet. Nee, ik verlang niet naar Riekus. Ik verlang niet naar doden. Ik verlang niet naar wat onontkoombaar voorbij is.

Maar af en toe ben ik zat van het spelletje. Ik kan en wil hem niet geven wat hij verlangt. Ik heb genoeg aan mezelf. Als Maagd ga ik mijn graf in, of de urn. Zo is het begonnen. Voor de grap tikte ik Luuk met de vliegenmepper. Zijn droef gezicht verdween. Hij vroeg me opnieuw te slaan. Luuk keek steeds blijer.

Het leek niet gespeeld. Hij werd echt vrolijk. Ik werd blij van het spel. Dat had ik niet van mezelf gedacht. Ik ben in de verkeerde eeuw geboren. Ik hoor thuis in de vroege Middeleeuwen met hun kerstening, met Willebrordus, Bonefatius, Magnus, met stilte, heel veel stilte. De Middeleeuwen met zang en dans, met zwierige gewaden en kaarsen en houtvuur in de schouw. De Middeleeuwen met luit en schalmei, met fluiten en tamboerijnen en later met klavecimbel en harp.

Mijn gevoel in de verkeerde tijd geboren te zijn heb ik lang voor me gehouden. Onbewust voelde ik aan dat ik beter niet kon zeggen van een andere tijd te zijn. Maar als kind op de lagere school wist ik dat al. Ik kreeg niet genoeg van ridders en kastelen, van Floris, van Karel en de Elegast. Mijn klasgenoten de jongens vochten mee. We maakten onze zwaarden uit planken en latten. Ik had mijn zwaard geverfd. Vlammend rood en geel.

Van het bloed natuurlijk. Een fietsbandhandvat achter een verfblik. Ik had het mooiste zwaard. Op de lagere school bleef ik heel lang kinderachtig, maar dat wist ik niet en het stoorde me ook niet. Ik was ridder met een zwaard en een schild; donkerblauw deksel van een geëmailleerde ketel waarin mijn moeder bonen weckte. Maar wecken ging voorbij, de eerste vriezers kwamen, er waren groenten in blik, er kwamen conserven.

En groenten uit de tuin natuurlijk. Mijn vriendjes gingen voetballen. Ik speelde met speelgoedridders en ik maakte forten, kastelen, hefbruggen en stenenwerpers van lego. Uit hout sneed ik mijn eigen ridders, uit klei kneedde ik jonkvrouwen. Ik kom uit een gezin met negen kinderen. Voor mijn verhaal zou het beter zijn om de jongste te zijn, maar dat was ik niet. Ik was het middelste kind.

Uiterlijk leken we op elkaar. Je kunt wel zien dat je een van Iedereen kon zien van wie ik er een was. Ik hoefde dat nooit te vertellen. In het begin zei ik: Ja of Ja, meneer en Ja, juffrouw. Dat liet ik later achterwege. Er is voor mij nooit onhelderheid geweest over mijn afkomst. Achterhoek, klein dorp in de Achterhoek. Heel vriendelijke en milde mensen. Geen ruzie, altijd meeleunen. Ik begrijp je wel. Wees maar niet bang.

Mijn wereld was het kasteel met de slotgracht, de toren met de gevangenis en de martelkamer. Ik ben daar nooit los van gekomen. Wolbers is afgeleid van Walburg, een burcht, een slot, een kasteel. Ik heb dat nagezocht. Ik ben een nazaat van ridders uit de tijd van Karel de Stoute. Op school zongen we Drie schuintamboers en Daar waren twee koningskinderen en meer liederen uit die tijd.

De juffrouw speelde piano, maar ik wist dat er een luit bij hoorde of een schalmei, bij die liedjes, en een trommel. Een trommel met twee stokken, rombom. Thuis zongen we ook. We hadden het niet ruim, maar vader en moeder zongen met ons. We zongen elke dag, gewoon, terwijl we met andere dingen bezig waren. Moeder kookte, vader rommelde in de kamer. Mijn oudere zusjes dekten de tafel maakten de tafel klaar en mijn jongere broertjes deden wat jongere broertjes doen.

Ik weet dat niet meer, maar we zongen. Dikkertje Dap zat op de trap en Het lied van de Veldmuis. Saamhorigheid, zo zou ik dat nu noemen. Ik kon mooi zingen, voor mijn stem brak, ook daarna kon ik nog steeds mooi zingen.

Maar zingen was niet langer voor jongens. Op school was zingen niet langer voor jongens, tenzij je er gitaar bij kon spelen en Engels kon zingen. Ik kon gitaar spelen en ik sprak ook goed Engels, maar ik hield niet van Engelse pop. Ik hield van de Middeleeuwen en dat is niet voorbij gegaan. Ik houd nog steeds van de Middeleeuwen, van kerkmuziek, madrigalen en motetten. Ik houd van kloostergezang van aria s en van sopranen. Mijn ouders hadden geen geld. Ze hadden negen kinderen.

Zingen was genoeg, want iedereen die zingt is rijk. Maar nu weet ik meer en ook een beetje beter. Nooit hebben ze mijn kastelen opgeborgen, nooit hebben ze mijn zwaarden verborgen of weggegooid. Ik heb ze nog, mijn kastelen van lego en mijn zwaarden van hout, ijzer, plastic buis en zwaarden, degens en hellebaarden uit de speelgoedwinkel.

Mijn pak van Ivanhoe heb ik nog. Ik heb een blijde en onbekommerde jeugd gehad. Geen kwalen, geen tegenslagen. Ik hoefde niets te betalen. Na de middelbare school betaalde de pianolerares mijn eerste jaar op het conservatorium. Ze geloofde in mij. Na het eerste jaar op het conservatorium kreeg ik studiefinanciering.

De pianolerares betaalde niet langer. Tijdens haar uitvaartmis heb ik gezongen, ook solo. Ave Maria en In Paradisum. Ze heette Maria, mijn pianolerares. Maria huilde in mij, maar pas na de kerkdienst. Ik zag haar voornaam op haar overlijdenskaart.

Ik kende alleen haar achternaam. Wat wil een ridder nog meer? Pas na haar begrafenis keek ik naar meisjes, andere vrouwen.

Niet dat ik een afkeer van meisjes had, niet dat ik meisjes niet een beetje kende ik heb zes zussen maar gewoon omdat ik in de Middeleeuwen leefde. Ze hoefde niet op een erwt te slapen, maar ik zocht een prinses met een hoge satijnen kroon, een ruisende galajurk, een rank figuur en blonde haren. Ik zeg het niet goed. Ik zocht niet echt. Maria zocht en ze vond mij. Ze studeerde piano in het derde jaar en ik verdiepte me in klavecimbel en orgel in het eerste jaar.

Ik speelde luit en tamboerijn en ik zong. Mijn dagen en nachten waren gevuld met muziek, muziek en nog eens muziek. En toen kwam Maria. Maria kende Het lied van de Veldmuis. In het bos zongen we Het lied van de Veldmuis en in de duinen van Schiermonnikoog zongen we Het lied van de Veldmuis. De bunker was mijn kasteel. Met de zee in de verte zongen we Het lied van de Veldmuis. We waren twee koningskinderen, maar andere koningskinderen dan uit het lied die prins verdronk en de prinses pleegde zelfmoord om haar verdriet kwijt te raken.

Nadat ik haar torenkamertje had ontsloten en ik mijn verovering kon voltooien zongen we opnieuw Het lied van de Veldmuis. Ik weet dat zo n liefdesverhaal kinderachtig klinkt. Dat is het ook, maar van alle verhalen die ik hoor over ontmoetingen, veroveringen en liefde vind ik mijn eigen verhaal, het verhaal van Maria en mij en de Veldmuis toch het meest waarschijnlijk, het meest hoffelijk en het meest ridderlijk.

Muziek bindt Maria en mij, en de kinderen, maar de kinderen zijn het huis uit. Allemaal bespelen ze een instrument en allemaal kunnen ze verdienstelijk zingen.

Als ze thuis komen, niet zo vaak, zingen we samen de liedjes uit mijn jeugd, uit hun jeugd. En als Maria en ik weer getweeën zijn speelt zij piano en zing ik een Middeleeuws lied. Een paar jaar verkleedden we ons als we samen waren. Maria als jonkvrouw en ik als ridder, maar dat doen we niet meer. We hebben de herinnering. Als we zingen voelen we de Middeleeuwen.

Maria is mij ter wille. Ze heeft me gekozen om mijn lichaam, mijn hoofd, mijn muzikaliteit, mijn zang en om mijn hersenen hersens zeggen de mensen hier.

Ik ben niet dom, maar ik ben ook niet knap wat nadenken aangaat. Ik heb moeite met abstracties en met filosofie.

Goddeloos ben ik opgevoed. Mijn ouders hadden geen geloof, bedoeld natuurlijk: Als god bestaat, had hij alle armen wel rijk gemaakt, zei mijn vader. Onze rijkdom bestond uit brood, een huis en uit gezang. En mensen die wel in god geloven zijn niet beter af. Metafysica heb ik helaas nooit geleerd. Ik geloof niet in horoscopen, niet in god, niet in pendelen en astrologie.

Ik geloof in wat ik hoor en vast kan pakken. Maria is knapper dan ik. Ze lijkt niet alleen op de jonkvrouw uit mijn kinderdroom, maar ze is ook intelligent en dat is een voordeel voor een man met minder verstand. De chromosomen hebben we redelijk goed doorgegeven. We hebben knappe kinderen met universiteit achter de rug en kinderen met minder scholing; de jongste heeft vmbo. Hij heeft een aantrekkelijk lichaam en hij kan mooi zingen heeft hij van mij. Ik heb hem afgeraden om te fluiten als hij aan de weg werkt, maar hij lacht tegen me als ik dat zeg.

Meisjes willen veroverd worden, zegt hij. Met mijn fluite, fluite, fluit, zingt hij. Ik sputter niet tegen. Hij weet wel dat Maria mij heeft veroverd, daar kwam geen ridderzwaard aan te pas. Ik ben niet intelligent, maar ik weet dat goed te verbergen. Als het maar een beetje kan praat ik over de Middeleeuwen of over klassieke muziek. Weinig mensen hebben daar kennis van.

Ik ben ze snel de baas met mijn feiten en met mijn passie. De meeste mensen weten niet wat een octaaf is, of een madrigaal. Ik ben er niet op uit om te imponeren, maar mijn kennis van Middeleeuwen en muziek houdt me staande in bijna elk gezelschap. In welke eeuw had je willen leven? Dat is intelligenter dan: Welk beest had je willen zijn?

In een tweedehandsboekwinkel trof ik een klant die een Encyclopedie over de Tachtigjarige Oorlog kocht. Oorsprongh, begin en vervolgh der Nederlandsche oorlogen. Niet vanwege het gewicht van de boeken het waren er totaal 37 maar van opwinding, ik zag het, zoveel geld voor zoveel kennis over zijn hartstocht. En waarschijnlijk wist die man alles al van de Tachtigjarige Oorlog. Maar wat een passie. Ik hoorde muziek in mijn hoofd. Ik had nog geen boek gevonden, maar ik ging spontaan terug naar het rek over de Middeleeuwen.

Maria is lange tijd kostwinner geweest, vooral in de tijd dat ik ging componeren. Lesgeven was niets voor me, al heb ik dat wel gedaan. Toonladders elke keer weer, ook voor a-muzikale kinderen, en die zijn er genoeg. Ik kon niet veel anders dan lesgeven. Ik was geen goede leraar, maar dat viel niet op. Er waren er meer zoals ik. Ik ben niet intelligent genoeg om kennis en vaardigheden door te geven. Voor privé-lessen heb ik geen geduld. Ik kan juffrouw VandeCastele niet evenaren, dat zal het zijn.

Ik koester haar herinnering. Blond haar en blauwe ogen en niet te veroveren. Niet te veroveren door een kindridder. Ze kende al jaren haar lot, dat ook het onze is. Zie maar, een beetje filosofisch ben ik wel. Ik ben met school gestopt, niet in eens, maar langzaam. Ik deed alsof ik lesgaf. Het viel niet op, maar het ging me tegenstaan. Ik nam een jaar om ander werk te vinden. Mediator kwam uit de beroepentest, omdat ik volgens het onderzoekje goed kan luisteren. Heb ik geleerd door de muziek.

Ik hoor feilloos de dissonanten en als een dirigent corrigeer ik de faux pas van de dolende. Ik herschrijf de partituur en ik speel de vragensteller voor, wat ik hoor in zijn verhaal. Ik laat horen hoe het leven ook kan zijn. Mijn composities zijn geïnspireerd op mijn cliënten. A-tonaal en soms barok, chaotisch. Daar is niets Middeleeuws aan. Maria speelt ze voor me.

Niemand wil mijn muziek op zijn repertoire. Ik begrijp dat wel. Mijn composities zijn mijn vertaling van deze tijd. Mijn composities laten horen en zien hoe ik deze tijd ervaar. Ik zei het al; ik leef in de verkeerde eeuw. Ik hoor de Middeleeuwen. Ik weet niet welke gruwelijkheden hij heeft ondergaan.

Ik weet niet welke gruwelijkheden hij heeft uitgevoerd, bevlogen, vrijwillig, met tegenzin of onder dwang. Ik weet niet zoveel van mijn vader en ook over mijn moeder kan ik geen interessante verhalen vertellen.

Daarin verschil ik niet van anderen uit mijn geboortestreek. Ik ben in een klein dorp geboren, kleiner dan Ondermaten. Het was een streekje, een mooi streekje.

Mooi omdat ik geen andere streek en geen ander dorp, geen andere stad en geen ander land had gezien. Mijn streek was mijn wereld. Ik was een jaar of acht. Ik ging voor het eerst naar school. Het was de eerste keer dat ik mijn streekje verliet. Twee, drie kilometer in het vierkant. Vijf huisjes, net zoveel schuurtjes en landjes in mozaïekpatroon, gedicteerd door de hellingen, de stroompjes en erosiegeulen.

Iedereen wist wat van wie was en iedereen wist wat gezamenlijk bezit was. Iedereen paste op elkaar, iedereen lette op elkaar, iedereen was de ander en de ander was iedereen. Ik was een onderdeel van een groter organisme. In mijn eerste taal is er geen woord voor individu. Alle mannen zijn mijn vader, ook de ooms heten vader en alle neven en nichten zijn broers en zusters. Er zijn geen woorden voor neven en nichten. Ik weet dat mijn vader mijn vader is door de gelijkenis. Ik heb het tengere postuur van mijn vader.

Ik heb zijn oogopslag en zijn kleur, en als ik destijds het woord ervoor had gekend, had ik gezegd dat ik het karakter van mijn vader heb, meer dan van mijn moeder. Van nature ben in ingehouden en verkeer ik graag op de achtergrond. Als het leven het vraagt, laat ik me zien. Ik ben vaardig in het sociale spel, maar het is niet mijn aard. Zo was mijn vader. Zo ervaar ik mezelf. Als er al twijfel zou bestaan, zou ik twijfelen aan mijn moeder.

Ik weet niet of zij mij gebaard heeft. Ik moet afgaan op wat mijn vader en mijn moeder zeggen. Als ik ze geloof, zijn zij mijn vader en mijn moeder. Misschien begon het toen ik acht jaar was, misschien heeft het altijd in me gezeten, maakte het altijd deel van me uit, ondanks de streek. De omgeving bepaalt de vorm, maar heeft niets te zeggen over de aard, zo kan het zijn. Op school trof ik andere kinderen, andere meisjes en andere jongens, vooral andere meisjes.

De scholen waren apart, maar stonden naast elkaar. Er was een hek tussen de scholen. Een afscheiding van horizontale takken aan korte stammen. Leek op de afrasteringen, op de glints die ik bij boerderijen in en rond Ondermaten zag.

Eenvoudige palen met bovenlangs planken. Het was heel gemakkelijk om naar de andere lokalen te gaan, maar niemand doorbrak de grens. We wisten dat de andere kant verboden terrein was. Ik keek en ik zag andere kinderen, jongens, anderen die geen deel uitmaakten van mijn organisme, van het organisme in mijn streek.

Later las ik dat er kwallen, koralen en andere dieren zijn die bestaan uit tientallen, honderden samenwerkende cellen, maar die toch ieder voor zich bestaan. Ik kende het woord niet, maar in de meisjesschool, binnen gehoorsafstand van roepende jongetjes ontdekte ik mijn individualiteit. Ik was ik en ik ben nog steeds die ik: Ik leerde lezen en schrijven. Met mijn lezen en schrijven groeide mijn individu. Mijn vader kon ook lezen en schrijven, al heb ik daar weinig van gemerkt.

Mijn moeder de vrouw die ik mijn moeder noem kon niet lezen en schrijven. Als ze dat wel kon, heeft ze dat goed weten te verbergen. Ik ben een spion. Ik weet veel en ik onderzoek wat ik niet begrijp.

We hadden een klein huis, een lemen hut met een paar afdelingen gescheiden door een deken of een laken. Een rieten rolmat op de lemen vloer was het bed. Mijn vader sliep vaak in de schuur. Eenmaal in de week kwam hij bij mijn moeder, soms weken niet.

Ik hoorde zacht gepraat, hard gepraat, geschreeuw, beweging en daarna was het stil en volgde gehuil. Mijn vader vertrok naar de schuur of verdween in de nacht naar ik weet niet waar.





Klaarkomen door pijpen grote blanke lul

  • Den haag prive ontvangst natte preute
  • Den haag prive ontvangst natte preute
  • 963
  • Escort noord brabant neuken hoogeveen